Wat een belevenis was dat net. Mijn licht paars getinte lans deed van zich horen terwijl ik aan mijn bureau zat te âââ¬Ã
âwerkenâââ¬ÃÂ. Het moment was daar, het moment waar mijn piemel zich de hele dag op had verheugd âââ‰â¬Å subtiel aangestuurd door den nieren: plastijd. Dus wat deed ik, als trotste bezitter van een in noodverkerende penis, ik ging naar het toilet toe, waar den porseleinen troon gelokaliseerd stond. Eenmaal aangekomen bij het toilet deed ik de deur open. Tot mijn grote verbazing en tot vreugde van mijn penis trof ik daar al zittend een mevrouw aan. De mevrouw staarde samen met haar blote muts mij geschrokken aan. In haar hand zat een stukje wc-papier, naar mijn mening daar aanwezig om het vocht van den muts af te vegen. Urinevlekken in den string zijn tenslotte nooit prettig. Ik deed de deur weer dicht. De lichte maar toch robuuste visgeur en schaamte deden mij daar toe beslissen. Wachtend op het opengaan van den deur âââ‰â¬Å zodat ik eindelijk naar het toilet kon en mijn behoefde kon doen - deed ik mij tegoed aan een flink glas water, om nog even rustig op mijn gemak van de schrik bij te komen. De deur ging open. De mevrouw hobbelde vlot weg als een net van zijn skateboard getyfte Jan-Peter. Ik ging naar binnen, deed de deur achter mij dicht - keek nog even snel naar het gele stukje wc-papier dat in het prullenmandje lag - en liet mijn royaal belegde fallus verder het woord doen. Heerlijk.