Een arbeider ging elke dag opgewekt naar zijn werk. Om op het werkterrein te komen, moest hij een slagboom passeren die de portier alleen bereid was voor de directie te heffen. Het personeel moest er maar onderdoor. Maar deze arbeider had iets van: Waar dan ook onderdoor? Nooit voor niemand ooit!
En dus nam hij, als hij het werkterrein naderde, een flinke aanloop en met een sierlijke sprong bedwong hij de hindernis. Zijn werklust viel op. Zelfs als op een gewone vrijdag de populaire zender om wat voor reden dan ook gekleurd was, leverde hij nog dezelfde arbeidsprestatie. Al snel zat hij in de ondernemingsraad. Daar viel het oog van de directie op hem, met het verzoek of hij niet ook deel uit wilde maken van de directie. Dat moest hij eens met zijn vrouw overleggen.
En dus ging hij de volgende dag als directeur naar zijn werk. Niet dat er met hem iets veranderd was, hij voelde zich nog altijd dezelfde arbeider temidden van de arbeiders. En dus nam hij, toen hij de volgende dag het werkterrein naderde een flinke aanloop en wilde met een sierlijke sprong de hindernis nemen.
Maar de portier dacht er heel anders over.
Uit: Andermans Veren
Freek de Jonge