Er was eens een tijd waarin iedereen rookte. Je begon op je twaalfde en stopte op je sterfdag. Er was nog niemand die riep dat die sterfdag een tikje eerder kwam door dat roken. Dat fabeltje is ergens in de jaren zestig de wereld ingeholpen en daarna langzaam maar zeker hardnekkiger geworden. Op een gegeven moment begonnen er zelfs mensen te roepen dat we maar moesten stoppen met al dat gepaf. Eén van die mensen was Allen Carr, die deed dat reeds in 1985. Hij was een tijdje daarvoor zelf gestopt (van honderd per dag naar nul) en de wereld moest het weten. Meneer schreef dus een boek over hoe je dat nou aan moest pakken, stoppen met roken. Meneer was dus eigenlijk gewoon een ziekelijke bemoeial die anderen geen plezier meer gunde omdat hij het zelf ook niet meer had. En zichzelf maar ophemelen al die tijd. Want hij offerde zich op door met actieve rokers in dezelfde ruimte te gaan zitten om ze te helpen. Tjonge! Je moet er de kloten maar voor hebben! Of de longen. Die had meneer Carr blijkbaar niet, want hij is nu
dood. Door longkanker dus. Of zou dat toch gewoon komen omdat hij, toen hij eenmaal flink had gecasht van zijn schrijfseltje, zelf maar weer was begonnen? Hoe dan ook: boontje komt om zijn loontje. Had hij de rokers maar gewoon met rust moeten laten. Het is te hopen dat alle anti-rokers een voorbeeld nemen aan meneer Carr (hebben ze immers altijd gedaan) en ook snel creperen.